NL - VERORDENING (EU) Nr. 656/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 15 mei 2014

VERORDENING (EU) Nr. 656/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
 
van 15 mei 2014
 
tot vaststelling van regels voor de bewaking van de zeebuitengrenzen in het kader van de operationele samenwerking gecoördineerd door het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie
 
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, onder d),
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
Het buitengrenzenbeleid van de Unie heeft ten doel te zorgen voor efficiënte bewaking bij het overschrijden van de buitengrenzen van de Unie, door onder meer grensbewaking, en bij te dragen tot het garanderen van het beschermen en redden van mensenlevens. De bewaking aan de buitengrenzen heeft ten doel onrechtmatige grensoverschrijding te voorkomen, grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden en om onregelmatig binnengekomen personen aan te houden of andere maatregelen tegen deze personen te nemen. Grensbewaking dient te voorkomen dat mensen de controle bij grensdoorlaatposten omzeilen en pogingen hiertoe te ontmoedigen. Daarom omvat grensbewaking niet alleen het opmerken van pogingen om de grens onrechtmatig te overschrijden, maar bijvoorbeeld ook het onderscheppen van vaartuigen die ervan worden verdacht dat zij de Unie proberen binnen te dringen zonder grenscontroles te ondergaan, alsook afspraken voor zoek- en reddingstaken bij grensbewakingsoperaties op zee en afspraken die ervoor moeten zorgen dat dergelijke operaties tot een goed einde worden gebracht.
(2)
Het beleid van de Unie op het gebied van grensbeheer, asiel en migratie en de uitvoering daarvan moeten op grond van artikel 80 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) onderworpen zijn aan het beginsel van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten. Handelingen van de Unie die in het kader van dat beleid worden vastgesteld, dienen telkens wanneer dat nodig is, passende bepalingen te bevatten voor de toepassing van dat beginsel, alsmede voor het bevorderen van de verdeling van de lasten, onder meer door het op vrijwillige basis overbrengen van personen die internationale bescherming genieten.
(3)
Het toepassingsgebied van deze verordening dient beperkt te zijn tot grensbewakingsoperaties die de lidstaten aan hun zeebuitengrenzen uitvoeren in het kader van de operationele samenwerking die wordt gecoördineerd door het bij Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad (2) opgerichte Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie („het Agentschap”). Opsporings- en strafmaatregelen vallen onder het nationale strafrecht en de bestaande instrumenten voor wederzijdse rechtsbijstand in het kader van justitiële samenwerking in strafzaken in de Unie.
(4)
Het Agentschap is verantwoordelijk voor de coördinatie van de operationele samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van het beheer van de buitengrenzen, onder andere wat betreft grensbewaking. Een andere verantwoordelijkheid van het Agentschap bestaat erin de lidstaten bij te staan in omstandigheden die extra technische bijstand aan de buitengrenzen vergen, het feit in overweging nemend dat sommige situaties humanitaire noodsituaties en reddingsacties op zee met zich mee kunnen brengen. Ter versterking van de door het Agentschap gecoördineerde operationele samenwerking dienen specifieke regels te worden vastgesteld voor grensbewakingsactiviteiten die door zee-, land- en luchteenheden van een bepaalde lidstaat aan de zeegrens van andere lidstaten of op volle zee worden uitgevoerd binnen die gecoördineerde operationele samenwerking.
(5)
Samenwerking met naburige derde landen is van wezenlijk belang om onrechtmatige grensoverschrijding te voorkomen, grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden en verlies van mensenlevens op zee te vermijden. Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2007/2004 en voor zover de volledige eerbiediging van de grondrechten van migranten is gewaarborgd, kan het Agentschap samenwerken met de bevoegde autoriteiten van derde landen, in het bijzonder op het gebied van risicoanalyse en opleiding, en dient het Agentschap de operationele samenwerking tussen lidstaten en derde landen te faciliteren. Wanneer samenwerking met derde landen op het grondgebied of in de territoriale zee van die landen plaatsvindt, moeten de lidstaten en het Agentschap normen en standaarden in acht nemen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in het Unierecht zijn vastgelegd.
(6)
Het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur), dat is ingesteld bij Verordening (EU) nr. 1052/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3), is gericht op het intensiveren van de informatie-uitwisseling en operationele samenwerking tussen de lidstaten en met het Agentschap. Dat is, mede dankzij de steun van het Agentschap, om te verzekeren dat de situatiekennis en het reactievermogen van de lidstaten aanzienlijk verbetert met betrekking tot het opsporen, voorkomen en bestrijden van illegale immigratie en grensoverschrijdende criminaliteit en het bijdragen tot het garanderen van het beschermen en redden van de levens van migranten aan hun buitengrenzen. Bij het coördineren van de grensbewakingsoperaties dient het Agentschap overeenkomstig die verordening de lidstaten te voorzien van informatie en analyses over die operaties.
(7)
Deze verordening vervangt Besluit 2010/252/EU (4), dat door het Hof van Justitie van de Europese Unie („het Hof”) nietig verklaard werd bij arrest van 5 september 2012 in zaak C-355/10. Het Hof heeft in dat arrest verklaard dat de gevolgen van Besluit 2010/252/EU worden gehandhaafd tot aan de inwerkingtreding van een nieuwe regeling. Vanaf de dag van inwerkingtreding van deze verordening houdt dat besluit derhalve op gevolgen te hebben.
(8)
Bij grensbewakingsoperaties op zee dienen de lidstaten hun onderscheiden verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht in acht te nemen, in het bijzonder het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, het Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee, het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en het daarbij behorende protocol tegen de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht, het Verdrag van de Verenigde Naties betreffende de status van vluchtelingen, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind en andere relevante internationale instrumenten.
(9)
Bij het coördineren van grensbewakingsoperaties op zee moet het Agentschap zijn taken uitvoeren met volle inachtneming van toepasselijk Unierecht, waaronder het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie („het Handvest”), en van het toepasselijke internationaal recht, in het bijzonder dat welke is vermeld in overweging 8.
(10)
Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad (5) en overeenkomstig algemene beginselen van het recht van de Unie, dient elke maatregel die wordt getroffen in het kader van een bewakingsoperatie in verhouding te staan tot de beoogde doelstellingen, niet-discriminerend te zijn en de menselijke waardigheid, grondrechten en de rechten van vluchtelingen en asielzoekers, waaronder het beginsel van non-refoulement, volledig te respecteren. De lidstaten en het Agentschap zijn gebonden door de bepalingen van het acquis op het gebied van asiel, in het bijzonder Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad (6), wat verzoeken om internationale bescherming betreft die op het grondgebied, daaronder begrepen aan de grens, in de territoriale zee of in de transitzones van de lidstaten, worden ingediend.
(11)
Deze verordening dient van toepassing te zijn onverminderd Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (7), in het bijzonder wat betreft het verlenen van bijstand aan slachtoffers van mensenhandel.
(12)
Deze verordening moet worden toegepast met volledige inachtneming van het beginsel van non-refoulement als omschreven in het Handvest en als uitgelegd door de vaste rechtspraak van het Hof en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Overeenkomstig dat beginsel mag niemand worden ontscheept in een land, worden gedwongen er binnen te gaan, ernaartoe worden gebracht, of anderszins aan de autoriteiten ervan worden overgeleverd, indien, onder meer, er voor hem of haar een ernstig risico bestaat er te worden onderworpen aan de doodstraf, foltering of andere onmenselijke of onterende behandelingen of bestraffingen, of indien zijn of haar leven of vrijheid er in gevaar zou komen om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, seksuele gerichtheid, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, of indien er een ernstig risico bestaat op uitzetting, verwijdering of uitlevering aan een ander land, in overtreding van het beginsel van non-refoulement.
(13)
Eventuele regelingen tussen een lidstaat en een derde land ontslaan lidstaten niet van hun verplichtingen uit hoofde van het recht van de Unie en het internationaal recht, in het bijzonder wat betreft de inachtneming van het beginsel van non-refoulement, indien zij ervan op de hoogte zijn, althans zouden moeten zijn, dat fundamentele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in dat derde land gegronde redenen vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een ernstig risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandeling of indien zij ervan op de hoogte zijn, althans zouden moeten zijn, dat dat derde land er praktijken op na houdt die strijdig zijn met het beginsel van non-refoulement.
(14)
Bij een grensbewakingsoperatie op zee kan zich een situatie voordoen waarbij bijstand moet worden verleend aan mensen in nood. Overeenkomstig het internationaal recht moet iedere staat de kapitein van een vaartuig dat onder zijn vlag vaart, ertoe verplichten dat hij, voor zover hij zulks kan doen zonder ernstig gevaar voor het vaartuig, de bemanning of de passagiers, onverwijld bijstand verleent aan eenieder die hij op zee in levensgevaar aantreft en met de grootst mogelijke spoed personen die in nood verkeren, te hulp komt. Die bijstand moet worden verleend ongeacht de nationaliteit of de status van de personen aan wie bijstand moet worden verleend en ongeacht de omstandigheden waarin zij worden aangetroffen. De kapitein en de bemanning van het vaartuig mogen niet worden blootgesteld aan strafrechtelijke sancties louter omdat zij personen die op zee in nood verkeren, hebben gered en naar een veilige plaats hebben gebracht.
(15)
De lidstaten dienen de verplichting om hulp te bieden aan personen die in nood verkeren na te komen overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van internationale instrumenten betreffende opsporings- en reddingssituaties en in overeenstemming met de vereisten inzake de bescherming van de grondrechten. Deze verordening mag geen afbreuk doen aan de verantwoordelijkheden van de opsporings- en reddingsautoriteiten, waaronder de taak ervoor te zorgen dat de coördinatie en de samenwerking zodanig verlopen dat de geredde personen naar een veilige plaats kunnen worden gebracht.
(16)
Indien het operationeel gebied van een operatie op zee het opsporings- en reddingsgebied van een derde land omvat, moeten bij het plannen van de operatie op zee communicatiekanalen met de opsporings- en reddingsautoriteiten van het derde land worden opgezet, waardoor verzekerd wordt dat die autoriteiten in staat zullen zijn te reageren op opsporings- en reddingssituaties die zich binnen hun opsporings- en reddingsgebied voordoen.
(17)
Krachtens Verordening (EG) nr. 2007/2004 worden de door het Agentschap gecoördineerde grensbewakingsoperaties uitgevoerd volgens een operationeel plan. Voor operaties op zee dient het operationeel plan derhalve specifieke informatie te bevatten betreffende de toepassing van de desbetreffende jurisdictie en wetgeving in het geografisch gebied waarin de gezamenlijke operatie, het proefproject of de snelle interventie plaatsvindt, met inbegrip van verwijzingen naar het recht van de Unie en het internationaal recht inzake onderschepping, reddingsacties op zee en ontscheping. Het operationeel plan moet worden opgesteld overeenkomstig de bepalingen van deze verordening met betrekking tot onderschepping, redding op zee en ontscheping in het kader van door het Agentschap gecoördineerde grensbewakingsoperaties op zee, en rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de desbetreffende operatie. Het operationeel plan dient procedures te bevatten die ervoor zorgen dat personen die internationale bescherming behoeven, slachtoffers van mensenhandel, niet-begeleide minderjarigen en andere kwetsbare personen worden geïdentificeerd en dat hun de passende bijstand wordt verleend, met inbegrip van toegang tot internationale bescherming.
(18)
De op Verordening (EG) nr. 2007/2004 gebaseerde praktijk houdt in dat voor elke operatie op zee in de ontvangende lidstaat een coördinatiestructuur wordt opgezet die bestaat uit functionarissen van de ontvangende lidstaat, uitgezonden functionarissen en vertegenwoordigers van het Agentschap, waaronder de coördinerende functionaris van het Agentschap. Deze coördinerende structuur, die doorgaans „internationaal coördinatiecentrum” wordt genoemd, dient te worden gebruikt als kanaal voor communicatie tussen de functionarissen die deelnemen aan de operatie op zee en de betrokken autoriteiten.
(19)
Deze verordening eerbiedigt de grondrechten alsook de beginselen die zijn erkend in de artikelen 2 en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en in het Handvest, in het bijzonder het recht op menselijke waardigheid, het recht op leven, het verbod op folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, het verbod op mensenhandel, het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op bescherming van persoonsgegevens, het recht op asiel en bescherming tegen verwijdering en uitzetting, het beginsel van non-refoulement en het non-discriminatiebeginsel, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en de rechten van het kind. Deze verordening dient door de lidstaten en het Agentschap te worden toegepast in overeenstemming met deze rechten en beginselen.
(20)
Daar de doelstelling van deze maatregel, namelijk de vaststelling van specifieke voorschriften voor de door het Agentschap gecoördineerde zeegrensbewaking door grenswachters, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, omdat hun wetten en praktijken onderling verschillen, maar vanwege het multinationale karakter van de operaties beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.
(21)
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening, en is deze niet bindend, noch van toepassing in Denemarken. Aangezien deze verordening voortbouwt op het Schengenacquis, beslist Denemarken overeenkomstig artikel 4 van het bovengenoemde protocol, binnen een termijn van zes maanden nadat de Raad heeft beslist over deze verordening, of het dit instrument in zijn nationale recht zal omzetten.
(22)
Wat IJsland en Noorwegen betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (8), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder A, van Besluit 1999/437/EG van de Raad (9).
(23)
Wat Zwitserland betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (10), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder A, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad (11).
(24)
Wat Liechtenstein betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (12), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, onder A, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2011/350/EU van de Raad (13).
(25)
Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad (14); het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening en deze is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.
(26)
Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (15); Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening en deze is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
 
Artikel 1
 
Toepassingsgebied
 
Deze verordening is van toepassing op grensbewakingsoperaties die de lidstaten aan hun zeebuitengrenzen uitvoeren in het kader van de operationele samenwerking die wordt gecoördineerd door het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie.
Artikel 2
 
Definities
 
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1.   „Agentschap”: het bij Verordening (EG) nr. 2007/2004 opgerichte Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie;
2.   „operatie op zee”: een gezamenlijke operatie, een proefproject of een snelle interventie uitgevoerd door de lidstaten voor de bewaking van hun zeebuitengrenzen en gecoördineerd door het Agentschap;
3.   „ontvangende lidstaat”: een lidstaat waar een operatie op zee plaatsvindt of van waaruit deze wordt gestart;
4.   „deelnemende lidstaat”: een lidstaat die aan een operatie op zee deelneemt door technisch materieel, grenswachten die worden ingezet als lid van de Europese grenswachtteams, of ander relevant personeel beschikbaar te stellen, maar die geen ontvangende lidstaat is;
5.   „deelnemende eenheid”: een zee-, land- of luchteenheid onder de verantwoordelijkheid van de ontvangende lidstaat of van een deelnemende lidstaat die aan een operatie op zee deelneemt;
6.   „internationaal coördinatiecentrum”: de coördinatiestructuur die in de ontvangende lidstaat wordt opgezet voor de coördinatie van een operatie op zee;
7.   „nationaal coördinatiecentrum”: het nationale coördinatiecentrum dat overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1052/2013 is opgezet voor het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur);
8.   „operationeel plan”: het operationele plan dat wordt bedoeld in de artikelen 3 bis en 8 sexies van Verordening (EG) nr. 2007/2004;
9.   „vaartuig”: elk type vaartuig, met inbegrip van boten, bijboten, drijvende platformen, vaartuigen zonder waterverplaatsing en watervliegtuigen, die op zee worden gebruikt of kunnen worden gebruikt;
10.   „staatloos vaartuig”: een vaartuig zonder nationaliteit, of dat kan worden gelijkgesteld met een vaartuig zonder nationaliteit, wanneer geen enkele staat het vaartuig het recht heeft verleend onder zijn vlag te varen, dan wel een vaartuig dat onder de vlag van twee of meer staten vaart en naar omstandigheden de ene of de andere vlag voert;
11.   „Protocol tegen de smokkel van migranten”: het Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, ondertekend in Palermo, Italië, in december 2000;
12.   „veilige plaats”: een locatie waar reddingsoperaties worden geacht te eindigen en waar de beveiliging van mensenlevens van de overlevenden niet wordt bedreigd, waar in hun elementaire menselijke behoeften kan worden voorzien en waar vervoer naar hun volgende bestemming of hun eindbestemming kan worden geregeld, rekening houdend met de bescherming van hun grondrechten met inachtneming van het beginsel van non-refoulement;
13.   „reddingscoördinatiecentrum”: een centrum dat tot taak heeft een doeltreffende organisatie van de opsporings- en reddingsdiensten te bevorderen, alsmede de uitvoering te coördineren van opsporings- en reddingsoperaties binnen een opsporings- en reddingsgebied zoals omschreven in het Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee;
14.   „aansluitende zone”: een zone die grenst aan de territoriale zee, zoals omschreven in artikel 33 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, indien formeel ingesteld;
15.   „kustlidstaat”: een lidstaat in wiens territoriale zee of aansluitende zone een onderschepping plaatsvindt.
HOOFDSTUK II
ALGEMENE REGELS
 
Artikel 3
 
Veiligheid op zee
 
Maatregelen ten behoeve van een operatie op zee worden zodanig uitgevoerd dat de veiligheid van de onderschepte of geredde personen, de veiligheid van de deelnemende eenheden of die van derde partijen, in alle omstandigheden gewaarborgd is.
Artikel 4
 
Bescherming van de grondrechten en het beginsel van non-refoulement
 
1.   Niemand mag in strijd met het beginsel van non-refoulement worden ontscheept in een land, worden gedwongen er binnen te gaan, ernaartoe worden gebracht, of anderszins aan de autoriteiten ervan worden overgeleverd, indien, onder meer, er voor hem of haar een ernstig risico bestaat er te worden onderworpen aan de doodstraf, foltering, vervolging of andere onmenselijke of onterende behandelingen of bestraffingen, of indien zijn of haar leven of vrijheid er in gevaar zou komen om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, seksuele gerichtheid, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, dan wel indien er een ernstig risico bestaat op uitzetting of verwijdering naar of uitlevering aan een ander land in strijd met het beginsel van non-refoulement.
2.   Wanneer, in het kader van de planning van een operatie op zee, de mogelijkheid tot ontscheping in een derde land wordt overwogen, houdt de ontvangende lidstaat, in samenspraak met de deelnemende lidstaten en het Agentschap, rekening met de algemene situatie in dat derde land.
De beoordeling van de algemene situatie in een derde land wordt gebaseerd op informatie uit een breed scala aan bronnen, bijvoorbeeld van andere lidstaten, organen en agentschappen van de Unie, en relevante internationale organisaties; bij die beoordeling kan rekening worden gehouden met het bestaan van akkoorden en projecten inzake migratie en asiel die worden uitgevoerd overeenkomstig het recht van de Unie en met behulp van fondsen van de Unie. Die beoordeling maakt deel uit van het operationeel plan, wordt aan de deelnemende eenheden verstrekt en wordt indien nodig geactualiseerd.
Onderschepte of geredde personen worden niet in een derde land ontscheept, gedwongen er binnen te gaan, ernaartoe gebracht, of anderszins aan de autoriteiten ervan overgeleverd, als de ontvangende lidstaat of de deelnemende lidstaten ervan op de hoogte zijn, of althans zouden moeten zijn, dat dat derde land er praktijken als bedoeld in lid 1 op nahoudt.
3.   Tijdens een operatie op zee, voordat de onderschepte of geredde personen worden ontscheept in een land, gedwongen worden er binnen te gaan, ernaartoe gebracht worden, of anderszins aan de autoriteiten ervan worden overgeleverd, en rekening houdend met de in lid 2 bedoelde beoordeling van de algemene situatie in dat derde land, maken de deelnemende eenheden onverminderd artikel 3 gebruik van alle middelen om de identiteit van de onderschepte of geredde personen te bepalen, beoordelen zij hun persoonlijke omstandigheden, informeren zij hen over hun bestemming op een wijze die zij begrijpen, of redelijkerwijs geacht kunnen worden te begrijpen, en stellen zij hen in de gelegenheid kenbaar te maken waarom ontscheping op de voorgestelde plaats naar hun mening strijdig zou zijn met het beginsel van non-refoulement.
Daartoe wordt in het operationeel plan voorzien in verdere details, onder andere, indien nodig, de beschikbaarheid aan wal van medisch personeel, tolken, juridische adviseurs en andere relevante deskundigen van de ontvangende en de deelnemende lidstaten. Elke deelnemende eenheid omvat op zijn minst één persoon die een basisopleiding heeft genoten om eerste hulp te verlenen.
Het in artikel 13 bedoelde verslag, dat gebaseerd is op door de ontvangende en de deelnemende lidstaten verstrekte informatie, bevat nadere bijzonderheden over de gevallen van ontscheping in derde landen en de wijze waarop de deelnemende eenheden de elementen van de in de eerste alinea van dit lid beschreven procedure hebben toegepast om de inachtneming van het beginsel van non-refoulement te garanderen.
4.   Tijdens de gehele duur van een operatie op zee voorzien de deelnemende eenheden in de bijzondere behoeften van kinderen, niet-begeleide minderjarigen daaronder begrepen, slachtoffers van mensenhandel, personen die dringende medische hulp behoeven, personen met een beperking, personen die internationale bescherming behoeven en andere personen in een bijzonder kwetsbare positie.
5.   De uitwisseling met derde landen van persoonsgegevens die voor de toepassing van deze verordening tijdens een operatie op zee zijn verkregen, wordt strikt beperkt tot hetgeen voor de toepassing van deze verordening absoluut noodzakelijk is en geschiedt overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (16), Kaderbesluit van de Raad 2008/977/JBZ (17) en toepasselijke nationale bepalingen betreffende gegevensbescherming.
De uitwisseling met derde landen van tijdens een operatie op zee verkregen persoonsgegevens van onderschepte of geredde personen is verboden indien er een ernstig risico bestaat dat het beginsel van non-refoulement wordt geschonden.
6.   Bij het vervullen van hun taken eerbiedigen de deelnemende eenheden de menselijke waardigheid volledig.
7.   Dit artikel is van toepassing op alle maatregelen die de lidstaten of het Agentschap overeenkomstig deze verordening nemen.
8.   Grenswachten en andere personeelsleden die aan een operatie op zee deelnemen, hebben een opleiding genoten over de toepasselijke bepalingen van de grondrechten, het vluchtelingenrecht en het internationale rechtskader voor opsporing en redding, overeenkomstig artikel 5, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 2007/2004.
HOOFDSTUK III
SPECIFIEKE REGELS
 
Artikel 5
 
Opsporing
 
1.   Wanneer een vaartuig is opgespoord dat ervan wordt verdacht personen te vervoeren die controles aan grensdoorlaatposten omzeilen of willen omzeilen, of dat ervan wordt verdacht betrokken te zijn bij de smokkel van migranten over zee, benaderen de deelnemende eenheden dat vaartuig om de identiteit en de nationaliteit ervan vast te stellen, en houden zij het, in afwachting van verdere maatregelen, op een veilige afstand in de gaten, met inachtneming van alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen. De deelnemende eenheden verzamelen informatie over dat vaartuig en verstrekken deze onmiddellijk aan het internationaal coördinatiecentrum, met inbegrip, indien mogelijk, van informatie over de omstandigheden waarin de opvarenden verkeren, in het bijzonder of er onmiddellijk gevaar dreigt voor hun leven of hun gezondheid en of er personen aan boord zijn die dringend medische hulp behoeven. Het internationaal coördinatiecentrum zendt die informatie door naar het nationaal coördinatiecentrum van de ontvangende lidstaat.
2.   Wanneer een vaartuig op het punt staat de territoriale zee of, de aansluitende zone van een lidstaat die niet aan de operatie op zee deelneemt, binnen te varen of al is binnengevaren, verzamelen de deelnemende eenheden informatie over dat vaartuig en verstrekken zij deze aan het internationaal coördinatiecentrum, dat deze informatie doorzendt naar het nationaal coördinatiecentrum van de betrokken lidstaat.
3.   De deelnemende eenheden verzamelen informatie over elk vaartuig dat ervan wordt verdacht betrokken te zijn bij illegale activiteiten op zee die buiten de werkingssfeer van een operatie op zee vallen, en zenden die door naar het internationaal coördinatiecentrum, dat deze informatie doorgeeft aan het nationaal coördinatiecentrum van de betrokken lidstaat.
Artikel 6
 
Onderschepping in de territoriale zee
 
1.   In de territoriale zee van de ontvangende lidstaat of van een naburige deelnemende lidstaat, verleent die staat de deelnemende eenheden toestemming om, wanneer er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat een vaartuig mogelijk personen vervoert die van plan zijn de controle aan de grensdoorlaatposten te omzeilen, of betrokken is bij de smokkel van migranten over zee, een of meer van de volgende maatregelen te nemen:
a)
het verzoeken om informatie en documenten betreffende de eigendom, de registratie en de reis van het vaartuig en betreffende de identiteit, de nationaliteit en andere relevante gegevens van de opvarenden, met inbegrip van de aanwezigheid van personen die dringend medische hulp behoeven, en de opvarenden duidelijk maken dat zij misschien niet de toestemming zullen krijgen de grens te overschrijden;
b)
het stoppen, aan boord gaan en onderzoeken van het vaartuig, het onderzoeken van de lading en de opvarenden, en het ondervragen van de opvarenden, alsmede hen ervan in kennis stellen dat de gezagvoerders van het vaartuig sancties riskeren omdat zij de reis mogelijk maken.
2.   Indien van dat vermoeden bewijs wordt geleverd, kan die ontvangende lidstaat of naburige deelnemende lidstaat de deelnemende eenheden toestemming verlenen om een of meer van de volgende maatregelen te nemen:
a)
het vaartuig in beslag nemen en de opvarenden aanhouden;
b)
bevelen dat het vaartuig zijn koers wijzigt met het oog op het verlaten of het niet binnenvaren van de territoriale zee of de aansluitende zone, met inbegrip van het begeleiden of in de buurt varen van het vaartuig totdat bevestigd is dat het vaartuig de opgelegde koers aanhoudt;
c)
het vaartuig of de opvarenden naar de kustlidstaat brengen, overeenkomstig het operationeel plan.
3.   Overeenkomstig lid 1 of lid 2 genomen maatregelen zijn evenredig en gaan niet verder dan nodig is om de doelstellingen van dit artikel te verwezenlijken.
4.   Voor de toepassing van de leden 1 en 2 geeft de ontvangende lidstaat de deelnemende eenheid passende instructies via het internationaal coördinatiecentrum.
De deelnemende eenheid informeert de ontvangende lidstaat via het internationaal coördinatiecentrum wanneer de kapitein van het vaartuig verzoekt een diplomatieke of consulaire functionaris van de vlaggenstaat op de hoogte te brengen.
5.   Wanneer er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat een staatloos vaartuig personen vervoert die voornemens zijn de controles aan grensdoorlaatposten te omzeilen, of dat het betrokken is bij het smokkelen van migranten over zee, verleent de ontvangende lidstaat of de naburige deelnemende lidstaat in wiens territoriale zee dat staatloos vaartuig wordt onderschept, toestemming voor een of meer van de in lid 1 vastgestelde maatregelen en kunnen deze lidstaten toestemming voor een of meer van de in lid 2 vastgestelde maatregelen verlenen. De ontvangende lidstaat geeft de deelnemende eenheid passende instructies via het internationaal coördinatiecentrum.
6.   Alle operationele activiteiten in de territoriale zee van een lidstaat die niet aan de operatie op zee deelneemt, worden uitgevoerd conform de toestemming van die lidstaat. De ontvangende lidstaat geeft de deelnemende eenheid instructies via het internationaal coördinatiecentrum op grond van de door die lidstaat toegestane stappen.
Artikel 7
 
Onderschepping op volle zee
 
1.   Op volle zee, wanneer er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat een vaartuig betrokken is bij de smokkel van migranten over zee, nemen de deelnemende eenheden een of meer van de volgende maatregelen, mits de vlaggenstaat toestemming verleent, overeenkomstig het Protocol tegen de smokkel van migranten, en waar van toepassing, het nationaal en internationaal recht:
a)
het verzoeken om informatie en documenten betreffende de eigendom, de registratie en de reis van het vaartuig en betreffende de identiteit, de nationaliteit en andere relevante gegevens van de opvarenden, met inbegrip van de aanwezigheid van personen die dringend medische hulp behoeven;
b)
het stoppen, aan boord gaan en doorzoeken van het vaartuig, het onderzoeken van de lading en de opvarenden, en het ondervragen van de opvarenden, alsmede hen ervan in kennis stellen dat de gezagvoerders van het vaartuig sancties riskeren omdat zij de reis mogelijk maken.
2.   Indien voor dat vermoeden bewijs wordt geleverd, kunnen de deelnemende eenheden een of meer van de volgende maatregelen nemen, onder voorbehoud van toestemming van de vlaggenstaat, overeenkomstig het Protocol tegen de smokkel van migranten, en waar van toepassing, het nationaal en internationaal recht:
a)
het vaartuig in beslag nemen en de opvarenden aanhouden;
b)
het vaartuig waarschuwen en bevelen de territoriale zee of de aansluitende zone niet binnen te varen, en indien nodig, het vaartuig verzoeken zijn koers te wijzigen naar een andere bestemming dan de territoriale zee of de aansluitende zone;
c)
het vaartuig of de opvarenden naar een derde land brengen of het vaartuig of de opvarenden op een andere wijze aan de autoriteiten van een derde land overdragen;
d)
het vaartuig of de opvarenden naar de ontvangende lidstaat brengen, of naar een andere naburige deelnemende lidstaat.
3.   Overeenkomstig lid 1 of lid 2 genomen maatregelen zijn evenredig en gaan niet verder dan nodig is om de doelstellingen van dit artikel te verwezenlijken.
4.   Voor de toepassing van de leden 1 en 2 geeft de ontvangende lidstaat de deelnemende eenheid passende instructies via het internationaal coördinatiecentrum.
5.   Indien het vaartuig onder de vlag vaart of de registratiekenmerken vertoont van de ontvangende lidstaat of een deelnemende lidstaat, kan deze lidstaat, na de nationaliteit van het vaartuig te hebben bevestigd, toestemming verlenen tot het nemen van een of meer van de in de leden 1 en 2 vastgestelde maatregelen. De ontvangende lidstaat geeft de deelnemende eenheid dan passende instructies via het internationaal coördinatiecentrum.
6.   Indien het vaartuig onder de vlag vaart of de registratiekenmerken vertoont van een lidstaat die niet aan de operatie op zee deelneemt of van een derde land, stelt de ontvangende lidstaat of een deelnemende lidstaat, afhankelijk van welke deelnemende eenheid dat vaartuig heeft onderschept, de vlaggenstaat daarvan in kennis en verzoekt hij om bevestiging van de registratie en, indien de nationaliteit is bevestigd, verzoekt hij de vlaggenstaat om maatregelen te nemen opdat het vaartuig niet langer voor de smokkel van migranten wordt gebruikt. Indien de vlaggenstaat niet bereid of niet in staat is die maatregelen te nemen, hetzij rechtstreeks, hetzij met bijstand van de lidstaat waartoe de deelnemende eenheid behoort, verzoekt die lidstaat de vlaggenstaat om toestemming tot het nemen van een of meer van de in de leden 1 en 2 vastgestelde maatregelen. De ontvangende lidstaat of de deelnemende lidstaat stelt het internationaal coördinatiecentrum in kennis van iedere mededeling van of aan de vlaggenstaat en van de voorgenomen acties of maatregelen waartoe de vlaggenstaat toestemming heeft verleend. De ontvangende lidstaat geeft de deelnemende eenheid dan passende instructies via het internationaal coördinatiecentrum.
7.   Indien er redelijke gronden bestaan om te vermoeden dat het vaartuig, hoewel het onder een vreemde vlag vaart of weigert zijn vlag te tonen, in feite van dezelfde nationaliteit is als een deelnemende eenheid, controleert de deelnemende eenheid of het vaartuig het recht heeft onder de vlag van de lidstaat in kwestie te varen. Daartoe kan zij het verdachte vaartuig naderen. Indien er een vermoeden blijft bestaan, kan de eenheid overgaan tot een nader onderzoek aan boord van het vaartuig, dat plaatsvindt zonder onnodige overlast te veroorzaken.
8.   Indien er redelijke gronden bestaan om te vermoeden dat het vaartuig, hoewel het onder een vreemde vlag vaart of weigert zijn vlag te tonen, in feite de nationaliteit van de ontvangende lidstaat of een deelnemende lidstaat heeft, controleert de deelnemende eenheid of het vaartuig het recht heeft onder de vlag van de lidstaat in kwestie te varen.
9.   Indien in de in lid 7 of 8 bedoelde gevallen de vermoedens betreffende de nationaliteit van het vaartuig gegrond blijken te zijn, kan die ontvangende lidstaat of deelnemende lidstaat toestemming verlenen tot het nemen van een of meer van de in de leden 1 en 2 vastgestelde maatregelen. De ontvangende lidstaat geeft de deelnemende eenheid dan passende instructies via het internationaal coördinatiecentrum.
10.   In afwachting of bij ontstentenis van toestemming van de vlaggenstaat, wordt het vaartuig op een veilige afstand in de gaten gehouden. Zonder uitdrukkelijke toestemming van de vlaggenstaat worden geen andere maatregelen genomen, tenzij het gaat om maatregelen die nodig zijn om onmiddellijk gevaar voor mensenlevens af te wenden of om maatregelen die voortvloeien uit toepasselijke bilaterale of multilaterale overeenkomsten.
11.   Indien er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat een staatloos vaartuig betrokken is bij de smokkel van migranten over zee, mag de deelnemende eenheid aan boord gaan van het vaartuig en het doorzoeken om te controleren of het inderdaad staatloos is. Indien voor dat vermoeden bewijs wordt geleverd, stelt de deelnemende eenheid de ontvangende lidstaat daarvan in kennis; de ontvangende lidstaat kan dan, rechtstreeks of met bijstand van de lidstaat waartoe de deelnemende eenheid behoort, verdere passende maatregelen nemen als bedoeld in de leden 1 en 2, overeenkomstig het nationaal en internationaal recht.
12.   Een lidstaat waarvan de deelnemende eenheid een maatregel heeft genomen overeenkomstig lid 1, stelt de vlaggenstaat onverwijld in kennis van de resultaten van die maatregel.
13.   De nationale functionaris die de ontvangende lidstaat of een deelnemende lidstaat vertegenwoordigt in het internationaal coördinatiecentrum, is verantwoordelijk voor het vergemakkelijken van de communicatie met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat in kwestie bij het verzoeken om toestemming tot het controleren van het recht van een vaartuig om onder de vlag van de lidstaat in kwestie te varen of tot het nemen van maatregelen als vastgesteld in de leden 1 en 2.
14.   Indien de redenen om te vermoeden dat een vaartuig betrokken is bij de smokkel van migranten op volle zee ongegrond blijken te zijn of indien de deelnemende eenheid niet bevoegd is om op te treden, maar er nog steeds redelijke vermoedens zijn dat het vaartuig personen vervoert die voornemens zijn de grens van een lidstaat te bereiken en de controles aan grensdoorlaatposten te omzeilen, wordt dit vaartuig verder in de gaten gehouden. Het internationaal coördinatiecentrum verstrekt informatie over dat vaartuig aan het nationaal coördinatiecentrum van de lidstaten waar het vaartuig naartoe vaart.
Artikel 8
 
Onderschepping in de aansluitende zone
 
1.   In de aansluitende zone van een ontvangende of van een naburige deelnemende lidstaat worden de in leden 1 en 2 van artikel 6 vastgestelde maatregelen genomen overeenkomstig die leden en leden 3 en 4 van dat artikel. Een in artikel 6, leden 1 en 2, bedoelde toestemming kan enkel worden verleend voor maatregelen die noodzakelijk zijn ter voorkoming van inbreuken op toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat op het grondgebied of in de territoriale zee van die lidstaat.
2.   In de aansluitende zone van een lidstaat die niet deelneemt aan de operatie op zee worden de in artikel 6, leden 1 en 2, vastgestelde maatregelen alleen genomen met toestemming van die lidstaat. Het internationaal coördinatiecentrum wordt in kennis gesteld van elke mededeling van of aan die lidstaat en van alle verdere stappen waarvoor die lidstaat toestemming verleent. Indien die lidstaat geen toestemming verleent en er redelijke gronden bestaan om te vermoeden dat het vaartuig personen vervoert die voornemens zijn de grens van een lidstaat te bereiken, is artikel 7, lid 14, van toepassing.
3.   Wanneer een staatloos vaartuig door de aansluitende zone vaart, is artikel 7, lid 11, van toepassing.
Artikel 9
 
Opsporings- en reddingssituaties
 
1.   De lidstaten nemen hun verplichting in acht om bijstand te verlenen aan vaartuigen of personen die op zee in nood verkeren en zij zorgen er tijdens een operatie op zee voor dat hun deelnemende eenheden aan die verplichting voldoen, overeenkomstig het internationaal recht en onder eerbiediging van de grondrechten. De bijstand wordt verleend ongeacht de nationaliteit of de status van de personen en ongeacht de omstandigheden waarin zij worden aangetroffen.
2.   Met het oog op het aanpakken van opsporings- en reddingssituaties die zich tijdens een operatie op zee kunnen voordoen, bevat het operationeel plan, overeenkomstig het toepasselijke internationaal recht, het recht betreffende opsporing en redding daaronder begrepen, ten minste de volgende bepalingen:
a)
Wanneer de deelnemende eenheden in de loop van een operatie op zee reden hebben om aan te nemen dat zij met betrekking tot een vaartuig of een opvarende daarvan met een onzekerheids-, alarmerings- of noodfase worden geconfronteerd, zenden zij meteen alle beschikbare informatie door naar het reddingscoördinatiecentrum dat bevoegd is voor het opsporings- en reddingsgebied waarin de situatie zich voordoet, en stellen zij zich ter beschikking van dat reddingscoördinatiecentrum.
b)
De deelnemende eenheden stellen het internationaal coördinatiecentrum zo spoedig mogelijk in kennis van elk contact met het reddingscoördinatiecentrum en van het verloop van de door hen ondernomen actie.
c)
Een vaartuig of de opvarenden ervan worden geacht in een onzekerheidsfase te verkeren, in het bijzonder:
i)
wanneer een persoon als vermist is opgegeven of een vaartuig niet op tijd is; of
ii)
wanneer een persoon of vaartuig niet, zoals verwacht, zijn positie heeft gemeld of heeft gemeld in veiligheid te verkeren.
d)
Een vaartuig of de opvarenden ervan worden geacht in een alarmeringsfase te verkeren, in het bijzonder:
i)
wanneer, volgend op een onzekerheidsfase, pogingen om contact met een persoon of een vaartuig te krijgen tot niets hebben geleid en navraag bij andere daarvoor in aanmerking komende bronnen geen resultaat heeft opgeleverd; of
ii)
wanneer informatie is ontvangen die erop wijst dat het doelmatig functioneren van het vaartuig is verminderd, zij het niet in zodanige mate dat het waarschijnlijk is dat het vaartuig in nood verkeert.
e)
Een vaartuig of de opvarenden ervan worden geacht in een noodfase te verkeren, in het bijzonder:
i)
wanneer volstrekt betrouwbare informatie wordt ontvangen dat een persoon of een vaartuig aan gevaar blootstaat en onmiddellijk bijstand nodig heeft; of
ii)
wanneer, volgend op een alarmeringsfase, verdere pogingen om contact met een persoon of een vaartuig te krijgen en uitgebreidere navraag geen resultaat hebben opgeleverd, waaruit kan worden afgeleid dat het waarschijnlijk is dat een noodsituatie bestaat; of
iii)
wanneer informatie wordt ontvangen die erop wijst dat het doelmatig functioneren van een vaartuig zodanig is verminderd dat een noodsituatie waarschijnlijk is.
f)
Om uit te maken of een vaartuig in een onzekerheids-, alarmerings- of noodfase verkeert, nemen de deelnemende eenheden alle relevante informatie en waarnemingen in aanmerking en zenden ze die naar het bevoegde reddingscoördinatiecentrum door, met inbegrip van informatie over:
i)
het bestaan van een verzoek om bijstand, hoewel een dergelijk verzoek niet de enige factor is om te besluiten dat het om een noodsituatie gaat;
ii)
de zeewaardigheid van het vaartuig en de kans dat het vaartuig zijn eindbestemming niet zal bereiken;
iii)
het aantal opvarenden in verhouding tot het soort vaartuig en de staat waarin het verkeert;
iv)
de beschikbaarheid van voldoende voorraden van bijvoorbeeld brandstof, water en voedsel om een kust te bereiken;
v)
de aanwezigheid van gekwalificeerde bemanningsleden en gezagvoerders;
vi)
de beschikbaarheid en het vermogen van veiligheids-, navigatie- en communicatie-uitrusting;
vii)
de aanwezigheid van opvarenden die dringend medische hulp behoeven;
viii)
de aanwezigheid van overleden opvarenden;
ix)
de aanwezigheid aan boord van zwangere vrouwen of van kinderen;
x)
de weersomstandigheden en de toestand van de zee, met inbegrip van het zeeweerbericht.
g)
In afwachting van instructies van het reddingscoördinatiecentrum nemen de deelnemende eenheden alle passende maatregelen om de veiligheid van de betrokkenen te waarborgen.
h)
Indien een vaartuig wordt beschouwd als verkerend in een onzekerheids-, alarmerings- of noodsituatie, maar de opvarenden weigeren bijstand te aanvaarden, stelt de deelnemende eenheid het bevoegde reddingscoördinatiecentrum daarvan in kennis en volgt zij de instructies van dat centrum. De deelnemende eenheid blijft haar zorgplicht vervullen door het vaartuig in de gaten te houden en alle nodige maatregelen te nemen met het oog op de veiligheid van de betrokkenen, alsook alle maatregelen te vermijden die de situatie kunnen verergeren of de kans op letsel of het verlies aan mensenlevens kunnen vergroten.
i)
Wanneer het reddingscoördinatiecentrum van een voor het opsporings- en reddingsgebied bevoegde derde land niet reageert op de door de deelnemende eenheid doorgezonden informatie, neemt deze eenheid contact op met het reddingscoördinatiecentrum van de ontvangende lidstaat, tenzij zij van oordeel is dat een ander internationaal erkend reddingscoördinatiecentrum beter in staat is om de opsporings- en reddingssituatie te coördineren.
Het operationeel plan kan details bevatten die aangepast zijn aan de omstandigheden van de desbetreffende operatie op zee.
3.   Indien de opsporings- en reddingssituatie beëindigd is, hervat de deelnemende eenheid, in overleg met het internationaal coördinatiecentrum, de operatie op zee.
Artikel 10
 
Ontscheping
 
1.   Het operationeel plan bevat, overeenkomstig het internationaal recht en onder eerbiediging van de grondrechten, ten minste de volgende modaliteiten voor de ontscheping van de bij een operatie op zee onderschepte of geredde personen:
a)
bij onderschepping in de territoriale zee of in de aansluitende zone als bedoeld in artikel 6, lid 1, 2 of 6, respectievelijk in artikel 8, lid 1 of lid 2, vindt de ontscheping plaats in de kustlidstaat, onverminderd artikel 6, lid 2, onder b);
b)
bij onderschepping op volle zee als bedoeld in artikel 7 kan ontscheping plaatsvinden in het derde land vanwaar het vaartuig verondersteld wordt te zijn uitgevaren. Indien dit niet mogelijk is, vindt ontscheping plaats in de ontvangende lidstaat;
c)
in opsporings- en reddingssituaties als bedoeld in artikel 9 en onverminderd de bevoegdheid van het reddingscoördinatiecentrum werken de ontvangende lidstaat en de deelnemende lidstaten samen met het verantwoordelijke reddingscoördinatiecentrum om een veilige plaats te identificeren, en wanneer het bevoegde reddingscoördinatiecentrum een dergelijke veilige plaats aanwijst, waarborgen zij dat de geredde personen snel en doeltreffend worden ontscheept.
Indien het niet mogelijk is een deelnemende eenheid, zodra dit uit praktisch oogpunt haalbaar is, te ontslaan van haar in artikel 9, lid 1, bedoelde verplichting, mag zij, rekening houdend met de veiligheid van de geredde personen en van de deelnemende eenheid, de geredde personen in de ontvangende lidstaat ontschepen.
Die modaliteiten inzake ontscheping mogen geen verplichtingen meebrengen voor lidstaten die niet deelnemen aan de operatie op zee, tenzij zij uitdrukkelijk toestemming verlenen tot het nemen van maatregelen in hun territoriale zee of aansluitende zone, overeenkomstig artikel 6, lid 6, of artikel 8, lid 2.
Het operationeel plan kan details bevatten die aangepast zijn aan de omstandigheden van de desbetreffende operatie op zee.
2.   De deelnemende eenheden stellen het internationaal coördinatiecentrum in kennis van de aanwezigheid van onder artikel 4 vallende personen en het internationaal coördinatiecentrum zendt deze informatie door naar de bevoegde nationale autoriteiten van het land waar de ontscheping plaatsvindt.
Het operationeel plan bevat de contactgegevens van die bevoegde nationale autoriteiten, die gepaste vervolgmaatregelen nemen.
Artikel 11
 
Wijziging van Verordening (EG) nr. 2007/2004
 
In artikel 3 bis, lid 1, punt j), respectievelijk artikel 8 sexies, lid 1, punt j), van Verordening (EG) nr. 2007/2004 wordt aan het einde de volgende zin toegevoegd:
„In dat opzicht wordt het operationeel plan vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 656/2014 van het Europees Parlement en de Raad (18).
Artikel 12
 
Solidariteitsmechanismen
 
1.   Een lidstaat die plotseling te maken krijgt met een situatie van uitzonderlijke druk aan zijn buitengrens, moet:
a)
kunnen verzoeken om de inzet van teams van Europese grenswachten overeenkomstig artikel 8 bis van Verordening (EG) nr. 2007/2004, om die lidstaat snel operationele bijstand te verlenen;
b)
het Agentschap kunnen verzoeken om technische en operationele bijstand overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2007/2004, om bijstand te verkrijgen bij de coördinatie tussen lidstaten en/of de inzet te verkrijgen van deskundigen om de bevoegde nationale autoriteiten te ondersteunen;
c)
kunnen verzoeken om noodhulp op grond van artikel 14 van Verordening (EU) nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad (19) om in geval van een noodsituatie in dringende en specifieke behoeften te voorzien.
2.   Een lidstaat die een sterke migratiedruk ondervindt met als gevolg spoedeisende druk op zijn opvangvoorzieningen en asielregelingen, moet:
a)
het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken kunnen verzoeken om de inzet van een asielondersteuningsteam overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) nr. 439/2010 van het Europees Parlement en de Raad (20) voor de terbeschikkingstelling van deskundigheid, met name met betrekking tot tolkdiensten, kennis over het land van herkomst en over de behandeling en het beheer van asielzaken;
b)
kunnen verzoeken om noodhulp op grond van artikel 21 van Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad (21) om in geval van een noodsituatie in dringende en specifieke behoeften te voorzien.
Artikel 13
 
Verslag
 
1.   Het Agentschap dient uiterlijk op 18 juli 2015 en vervolgens ieder jaar bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie een verslag in over de tenuitvoerlegging van deze verordening.
2.   Dit verslag bevat een beschrijving van de procedures die het Agentschap heeft ingesteld ter toepassing van deze verordening tijdens operaties op zee en informatie over de concrete toepassing van deze verordening, met inbegrip van gedetailleerde informatie over de eerbiediging van de grondrechten en het effect op deze rechten, alsmede over alle incidenten die zich hebben voorgedaan.
HOOFDSTUK IV
SLOTBEPALINGEN
 
Artikel 14
 
Gevolgen van Besluit 2010/252/EU
 
Besluit 2010/252/EU heeft geen gevolgen meer vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
Artikel 15
 
Inwerkingtreding
 
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.
Gedaan te Brussel, 15 mei 2014.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
M. SCHULZ
Voor de Raad
De voorzitter
D. KOURKOULAS
(1)  Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 13 mei 2014.
(2)  Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad van 26 oktober 2004 tot oprichting van een Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 349 van 25.11.2004, blz. 1).
(3)  Verordening (EU) nr. 1052/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot instelling van het Europees grensbewakingssysteem (Eurosur) (PB L 295 van 6.11.2013, blz. 11).
(4)  Besluit 2010/252/EU van de Raad van 26 april 2010 houdende aanvulling van de Schengengrenscode op het gebied van de bewaking van de maritieme buitengrenzen in het kader van de operationele samenwerking die wordt gecoördineerd door het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 111 van 4.5.2010, blz. 20).
(5)  Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 105 van 13.4.2006, blz. 1).
(6)  Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 60).
(7)  Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1).
(8)  PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.
(9)  Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31).
(10)  PB L 53 van 27.2.2008, blz. 52.
(11)  Besluit 2008/146/EG van de Raad van 28 januari 2008 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 53 van 27.2.2008, blz. 1).
(12)  PB L 160 van 18.6.2011, blz. 21.
(13)  Besluit 2011/350/EU van de Raad van 7 maart 2011 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis betreffende de afschaffing van controles aan de binnengrenzen en het verkeer van personen (PB L 160 van 18.6.2011, blz. 19).
(14)  Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43).
(15)  Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).
(16)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).
(17)  Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60).
(18)  Verordening (EU) nr. 656/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van regels voor de bewaking van de zeebuitengrenzen in het kader van de operationele samenwerking gecoördineerd door het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 93).”.
(19)  Verordening (EU) nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling, als onderdeel van het Fonds voor interne veiligheid, van het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa en tot intrekking van Beschikking nr. 574/2007/EG (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 143).
(20)  Verordening (EU) nr. 439/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 tot oprichting van een Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (PB L 132 van 29.5.2010, blz. 11).
(21)  Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, tot wijziging van Beschikking 2008/381/EG van de Raad en tot intrekking van Beschikkingen nr. 573/2007/EG en nr. 575/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 2007/435/EG van de Raad (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 168).
 
 
Resource category: 
Legislation
European Instruments,
Resource date: 
25-07-2014