Nederland - Rechtbank Den Haag, 5 augustus 2016, AWB 16/12222

Land van besluit:
Land van herkomst:
Date of Decision:
05-08-2016
Citation:
Verzoeker v. Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, 2016, Rechtbank Den Haag, AWB 16/1222
Additional Citation:
ECLI:NL:RBDHA:2016:11593
Court Name:
Rechtbank Den Haag
National / Other Legislative Provisions:
0a
Netherlands - Foreigners Decision 2000 (Article 3.106a)
Netherlands - Foreigners Regulations 2000 (Article 3.37e)
Netherlands - 2000 Foreigners Circular (Para. C2/6.3)
Printer-friendly versionPrinter-friendly version
Kop: 

Een besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (de “staatssecretaris”), van de Nederlandse staat, kan in strijd worden verklaard met: (i) artikel 3.37e van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, indien zulk besluit, aangaande de vraag of een land kwalificeert als een veilig derde land, niet gebaseerd is op meerdere bronnen van informatie; en/of, (ii) artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene Wet Bestuursrecht op basis van de vereisten dat alle besluiten van de staatssecretaris (a) zorgvuldig  zijn voorbereid en (b) voorzien van een deugdelijke motivering. 

Feiten: 

De staatssecretaris heeft verklaard, in een besluit gedateerd 31 mei 2016, dat het asielverzoek van de Verzoeker niet-ontvankelijk was ingevolge artikel 30a, lid 1, sub c van het Voorschrift vreemdelingen (2000) op grond van het verkrijgen van toegang door de Verzoeker tot een veilige derde land (de Russische Federatie).

De staatssecretaris heeft overwogen dat de Verzoeker toegang zou verkrijgen tot de Russische Federatie, omdat: (i) de Verzoeker’s echtgenote de Russische nationaliteit bezat; (ii) de Verzoeker’s echtgenote woonachtig was in Rusland; (iii) de Verzoeker in de Russische Federatie studeerde; (iv) de Verzoeker de Russische taal sprak; en (v) de Verzoeker twee dochters heeft die geboren zijn in Rusland. Als zodanig, was het standpunt van de staatssecretaris dat Verzoeker voldoende banden had met de Russische Federatie zodat van hem verwacht kon worden dat hij naar dat land zou gaan.

Bovendien overwoog de staatssecretaris dat de Russische Federatie kwalificeerde als een veilig derde land, omdat: (i) het de Universele Verklaring  voor de Rechten van de Mens 1948 heeft ondertekend; (ii) het partij is bij diverse belangrijke verdragen van de Verenigde Naties aangaande mensenrechten, zoals het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen 1951 (het “Vluchtelingenverdrag”) en het daaraan gerelateerde Protocol  1967; (iii) de grondwet van de Russische Federatie de meeste mensenrechten beschermt; (iv) het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens is geratificeerd door de Russische Federatie in 1998; (v) het niet aannemelijk was dat de angst van Verzoeker voor behandeling in strijd met het Vluchtelingenverdrag door de Russische Federatie gegrond was; en (vi) het niet aannemelijk was dat er in de Russische Federatie een reëel risico was op ernstig nadeel voor de Verzoeker, omdat de Russische Federatie, ingevolge een ambtsbericht over de Russische Federatie, onmiddellijk een verblijfsvergunning toekent aan elke Syrische vluchteling  en Syrische vluchtelingen derhalve behandeld worden in overeenstemming met het Vluchtelingenverdrag.

De Verzoeker betwiste of de Russische Federatie, in zijn specifieke zaak, als een veilig derde land kon worden beschouwd. De Verzoeker verweerde dat:

(a) de staatssecretaris handelde in strijd met artikel 3.37e van het Voorschrift vreemdelingen 2000 (welke vereist dat een besluit aangaande de kwalificatie van een land als een veilig derde land gebaseerd moet worden op diverse bronnen van informatie, zoals informatie van andere Lidstaten en informatie van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties) door zijn besluit enkel te baseren op een anoniem, Nederlands ambtsbericht over de Russische Federatie, gedateerd augustus 2015;

(b) Zelf als, ingevolge een dergelijk ambtsbericht, de Russische Federatie onmiddellijk een verblijfsvergunning verleent aan elke Syrische vluchteling die asiel aanvraagt, de Verzoeker niet in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning in de Russische Federatie, omdat de Verzoeker staatloos was en zijn vrouw niet de Syrische nationaliteit had; en

(c) het enkele feit dat de Russische Federatie het Vluchtelingenverdrag heeft geratificeerd niet kan leiden tot de conclusie dat de Russische Federatie een veilig derde land is. Hieromtrent verwees de Verzoeker naar verschillende bronnen van informatie, inclusief passages van een artikel genaamd “A long road to asylum: Syrian refugees in Russia” (Wilson Center, Nr. 12, november 2015) geschreven door Kennan Cable en een ambtsbericht aangaande mensenrechtenactiviteiten in Rusland in 2015 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten welke aanduidt dat, volgens de Verzoeker, asielaanvragers in de Russische Federatie onvoldoende bescherming krijgen, hetgeen resulteert in een risico op indirecte terugleiding.

Hierbij komt nog dat de Verzoeker betwiste of hij toegang zou verkrijgen tot de Russische Federatie op grond van gezinshereniging, omdat hij niet voldeed aan het inkomensvereiste.

De staatssecretaris erkende dat hij de informatiebronnen niet in overeenstemming met artikel 3.37e van het Voorschrift vreemdelingen 2000 had geraadpleegd. Daarentegen bleef de staatssecretaris van mening dat de Russische Federatie kwalificeerde als een veilig derde land, omdat, zo voerde de staatssecretaris aan, de Verzoeker toegang zou krijgen op grond van (i) zijn huwelijk en (ii) zijn banden met het land. De staatssecretaris  betwiste tevens of er sprake was van een reëel risico op een ernstig nadeel voor de Verzoeker. 

Besluit en motivering: 

De Rechtbank overwoog dat het besluit van de staatssecretaris (dat de Russische Federatie een veilig derde land is) niet gebaseerd was op de informatiebronnen als bedoeld in artikel 3.37e van het Voorschrift vreemdelingen 2000, ondanks de verwijzing van de staatssecretaris naar de artikel in zijn besluit. In plaats daarvan was het besluit van de staatssecretaris enkel gebaseerd op een anoniem Nederlands ambtsbericht over de Russische Federatie.

Derhalve overwoog de Rechtbank dat het besluit van de staatssecretaris in strijd was met: (i) artikel 3.37e van het Voorschrift vreemdelingen2000 nu het besluit, met betrekking tot de vraag of een land kwalificeert als een veilig derde land, niet gebaseerd was op meerdere bronnen van informatie; en (ii) artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene Wet Bestuursrecht op grond van het feit dat alle beslissingen van de staatssecretaris (a) zorgvuldig voorbereid moeten zijn en (b) voorzien moeten zijn van een deugdelijke motivering.

Aangaande het argument van de Verzoeker aangaande gezinshereniging heeft de Rechtbank niets overwogen of beraadslaagd.

Het besluit van de staatssecretaris is vernietigd en de staatssecretaris is veroordeeld tot het doen van een nieuw besluit in overeenstemming met hetgeen is overwogen door de Rechtbank. 

Uitkomst: 

Beroep toegewezen, de zaak is terugverwezen naar de staatssecretaris voor een nieuw besluit.

Observations/Comments: 

In het uittreksel van de zaak is een kort genoemd dat de Verzoeker in een aparte procedure een verzoek heeft ingediend bij de Rechtbank (AWB16/12223) om de staatssecretaris te verbieden om hem uit te zetten gedurende de termijn van de genoemde procedure. Dit verzoek is toegewezen.   

Other sources cited: 

Country Report on Human Rights Practices for 2015, Russia, from the U.S. Department of State

Dutch country report on the Russian Federation dated August 2015

Kennan Cable, “A long road to asylum: Syrian refugees in Russia” (Wilson Center, No. 12, November 2015)